29-09-2022

Hoogte geldleningen aan aandeelhouder

Wanneer een aandeelhouder geld uit de kas van zijn bv opneemt, kan dat een winstuitdeling zijn als het niet de bedoeling is dat hij het opgenomen bedrag schuldig wordt. Ook is sprake van een winstuitdeling als direct duidelijk is dat het opgenomen geld niet kan worden terugbetaald of verrekend. Een winstuitdeling kan zich op een later moment voordoen. Dat is het geval als aanvankelijk een schuld is ontstaan, die later zonder betaling of verrekening wordt tenietgedaan. Een lening, waarvan aannemelijk is dat deze niet kan of zal worden afgelost, is een onttrekking aan het vermogen van de bv, ook als het bedrag van de lening kan worden verrekend met een toekomstige dividenduitkering.

Voor het in aanmerking nemen van een winstuitdeling zullen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt moeten worden waaruit volgt dat deze lening niet kan of zal worden afgelost. Daarnaast is vereist dat de bv en de aandeelhouder zich daarvan bewust waren of hadden moeten zijn.

In een procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden stelde een bv zich op het standpunt dat zij in 2014 en 2015 winstuitdelingen had gedaan aan haar dga. De Belastingdienst had bij het opleggen van de aanslag Vpb 2014/2015 de rentebaten op de vorderingen van de bv op de dga verhoogd. In de aangifte was slechts rente verwerkt over een deel van het totaalbedrag aan verstrekte leningen.

Volgens het hof heeft de bv niet aannemelijk gemaakt dat de eerste lening op 30 april 2014 niet kon of zou worden afgelost. De verwijzing naar de vermogenspositie van ruim een jaar later is niet voldoende om te constateren dat op de genoemde datum vaststond dat de lening niet zou worden afgelost. Evenmin heeft de bv aannemelijk gemaakt dat en in hoeverre het niet aflossen het gevolg is van handelen van de bv ten gunste van de dga.

Wat betreft de tweede lening noemde de bv drie momenten waarop een winstuitdeling voor het gehele bedrag te constateren zou zijn. Het eerste moment betrof het moment van verstrekken van de lening. Het geleende bedrag werd gestort op een spaarrekening van de dga. Het hof zag niet in waarom op dat moment vast zou staan dat de lening niet zou worden afgelost. Ook ten aanzien van de latere tijdstippen is volgens het hof niet aannemelijk gemaakt dat op een van die momenten sprake was van een winstuitdeling.

Naar het oordeel van het hof heeft de Belastingdienst terecht rente berekend over het gehele bedrag van beide leningen. Het hoger beroep van de bv is ongegrond.

Wilt u ons beter leren kennen?



Neem contact met ons op

Top